Facebook Twitter

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Verval

Daling van het aantal brouwerijen was aanvankelijk vooral te wijten aan schaalvergroting in de brouwsector, met name in de steden. Op het platteland daarentegen was het aantal (kleine) brouwerijen rond 1700 sterk toegenomen. Tegen het verbod op de brouwnering ten plattelande werd steeds minder opgetreden. Uiteraard had dat zijn weerslag op het aantal brouwerijen in de steden, die hierdoor hun afzetgebied zagen krimpen. Een derde oorzaak voor de achteruitgang van de brouwnering was de verarming van de bevolking en de stijging van de brouwerslasten. De Gouden Eeuw was voorbij, wat vooral de lagere bevolkingsklassen merkten. Steden zagen zich geconfronteerd met een stagnerende bevolkingsgroei of zelfs -daling. Ondertussen raakte de Republiek verzeild in diverse oorlogen met Engeland en Frankrijk, die onder meer betaald moesten worden van de bieraccijnzen. Om het bier betaalbaar te houden gingen veel brouwers er toe over om minder grondstoffen te gebruiken, wat de kwaliteit uiteraard niet ten goede kwam. Deze ontwikkelingen verschilden overigens sterk per provincie, die tot aan de Franse Tijd nog sterk autonoom was. De belangrijkste oorzaak van de achteruitgang van de brouwnijverheid was echter de daling van de bierconsumptie door de opkomst en concurrentie van nieuwe genotsdranken, zoals thee, koffie, chocoladedrank, wijn en jenever.

Koffie, thee en jenever

Koffie, thee en cacao waren nieuwe, koloniale producten, die in de 17e eeuw snel in populariteit toenamen. Terwijl de prijzen daarvan in het begin van de 18e eeuw sterk daalden, was bier een zwaar met accijnzen belast product en liepen de prijzen van graan en turf alleen maar op. Tekenend voor deze ontwikkeling was de opkomst van een nieuw fenomeen in de steden: het koffiehuis of 'café'. Dit waren aanvankelijk chique gelegenheden die zich onderscheidden van de meer ordinaire bierhuizen en tapperijen. Een onderscheid dat overigens geleidelijk aan weer zou verdwijnen, want ook de bierhuizen wilden zich profileren door de nieuwe dranken te schenken en zich koffiehuis te noemen.
Een industrie die in onze contreien tot grote bloei kwam was die der jeneverstokerijen. Grootste centra waren de Hollandse steden Schiedam en Weesp. In 1798 telde alleen het gewest Holland al 400 stokerijen, waarvan 260 in Schiedam1. Menig brouwerij ging er toe over om zelf ook jenever te gaan stoken.
Na 1750 was bier niet langer de volksdrank die het altijd was geweest. De teruggang in het aantal brouwerijen was een landelijk fenomeen. Alleen in de havensteden Amsterdam en Rotterdam bleef de bierproductie redelijk op peil, onder meer dankzij de export naar onze overzeese gebiedsdelen en de grote behoefte aan scheepsbier.2

De daling van het bierverbruik deed zich in verschillende klassen anders gelden: in de betere kringen ging men vooral over op de chiquere wijn, koffie en thee, terwijl de lagere klasse vergetelheid trachtte te zoeken in de sterke drank, getuige een verzuchting van een Amersfoortse magistraat over het verval van het bier: 'en de arbeitsman daarvan de smaak vergetende, meer en meer tot andere schadelijke vogten (jenever en brandewijn) begint te inclineren'. Het drankmisbruik onder de werkende klassen nam zo ernstig toe dat gesproken werd van de 'jeneverpest' en in de 19e eeuw een krachtige beweging op gang kwam tegen drankmisbruik. De meest radicalen binnen deze beweging pleitten zelfs voor een totale 'drooglegging' van het land; de meer rekkelijken wilden alleen de jenever verbieden; bier werd in de 19e eeuw zelfs in de strijd geworpen als gezond alternatief voor het kwalijke 'Schiedam' .

Kwaliteit

De bierproductie in de 18e eeuw was nogal tweeslachtig, als we bierhistoricus Marco Daane mogen geloven. Aan de ene kant werden voortreffelijke bieren gebrouwen, zoals het extra sterke en extra gehopte Princessebier, dat vooral bedoeld was voor vervoer overzee, maar ook in de koffiehuizen gedronken werd. Aan de andere kant was er een onthutsende kwaliteitsverarming wat betreft de gangbare bieren. De Nederlandse brouwnijverheid werd volgens Daane gekenmerkt door een stuitend gebrek aan innovatie, gemakzucht en een sterke neiging tot verlaging van de productiekosten, met een aanzienlijke smaakvervlakking tot gevolg. Bieren hadden de neiging steeds slapper en zoeter te worden en met paardenmiddelen als drop en stroop moest menig bier op smaak worden gebracht .
De betere bieren werden in het buitenland gebrouwen, vooral in Engeland (Porter, Stout, IPA), Vlaanderen (Gents, Diester) en (Belgisch) Brabant (Lambiek, Faro, Leuvens). Dit - in het algemeen veel duurdere - bier, bedoeld voor de resterende oprechte bierliefhebbers, werd dan ook op vrij grote schaal ingevoerd. De Nederlandse brouwers probeerden dit bier wel na te brouwen, maar in veel gevallen bleven dit mindere aftreksels van het origineel, al waren er ook uitzonderingen .

Het gevolg was dat in de 18e eeuw het aantal brouwerijen snel begon af te nemen en de bierproductie met name na 1750 in een vrije val geraakte. In het begin van de 19e eeuw was de productie met name in de noordelijke steden sterk gedaald. Vergeleken met brouwerijen in het buitenland waren de Nederlandse brouwerijen klein en verouderd. Dit gold ook voor het platteland, waar de dorpsbrouwerijen eveneens in snel tempo verdwenen. In het zuiden leek de achteruitgang minder snel te gaan; dit was deels schijn, omdat de productie daar altijd kleinschalig was gebleven.

Daling aantal brouwerijen in enkele steden in Nederland
Daling aantal brouwerijen in enkele steden in Nederland

Lees verder

5.0 De Boog Utrecht
Stoombrouwerij De Boog in Utrecht

1 Hallema, p.118.
2 O.a. Kistemaker en Van Vilsteren 1994.

-- Adverteerders --

© 2017-2018 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur