Facebook Twitter

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Dik- en dunbier

De stedelijke brouwers maakten in de 15e en 16e eeuw zowel hoppen- als kuitbier, waarvoor aparte voorschriften golden. Het gruit- of elebier stierf in de 15e eeuw uit. Verder was er onderscheid tussen dikbier- en dunbier. Dikbier kende een hogere voedingswaarde en een hoger alcoholpercentage. Hoe hoog die waarden precies lagen wist men overigens niet, de brouwers brouwden op traditie en gevoel. Dik- en dunbier waren er in vele gradaties. Het dunste bier was een aftreksel van de mout die al voor een eerder brouwsel was gebruikt. Voor dit soort bier waren diverse namen in omloop, zoals klein bier, scharrebier, tweede pijlbier, etc.; hoe dunner het bier, hoe goedkoper het was.

De nog veel gehoorde opvatting dat er vroeger alleen maar slappe bieren werden gedronken is een van de vele fabels die nog te vaak worden gehoord. Dunbier werd wel veel gedronken door kinderen, werklieden en armelui. De begrippen dun- en dikbier waren tot ver in de 19e eeuw gangbaar. Pas toen reikte de chemische kennis hoog genoeg om het brouwproces te doorgronden en zaken als stamwortgehalte en alcoholpercentage te meten. Het alcoholpercentage van standaard dikbier (hoppen of kuyte) moet tussen de 4 en de 5 procent hebben gelegen, maar er werd ook dubbele hoppen en dubbele kuyten gebrouwen, dus dat was zwaarder. Dun bier zal tussen de 2 en 3 procent hebben gelegen. Klein bier of scharrebier was nog 'dunner'. De verschillende gradaties kwamen tot uiting in de prijs van het bier en in het spraakgebruik. Zo sprak men over drie-, vijf-, of zevenstuiversbier.

3.1 Hop
Hop

-- Adverteerders --

© 2017-2018 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur