Facebook Twitter

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Middeleeuwen

We zagen al dat het brouwen van bier van oorsprong een huishoudelijke activiteit was. De eerste gespecialiseerde brouwers in onze contreien waren te vinden in 'grote huishoudens' als kloostergemeenschappen en adellijke hoven, waar voor het brouwen van bier speciale ruimtes waren ingericht. De eerste commerciële brouwers ('coopbrouwers') met de bierbrouwerij als gespecialiseerde tak van nijverheid, manifesteerden zich met de opkomst van de steden in de 12e en de 13e eeuw. Hier verenigden de brouwers zich per stad in gilden, die in de loop der eeuwen veel macht verwierven. Vanwege de bieraccijnzen, die voor een groot deel de stedelijke schatkist vulden, hadden ook de stadsbesturen groot belang bij een goed lopende biernijverheid.

Coopbrouwers, kloosterbrouwers, thuisbrouwers, plattelandsbrouwers

Behalve de coopbrouwers waren er echter nog andere partijen die bier brouwden, zoals particulieren en religieuze instellingen. Weliswaar brouwden die alleen voor eigen gebruik, maar ze betaalden geen of minder accijns. Bovendien was er natuurlijk altijd de kans dat ze het accijnsvrije bier stiekem doorverkochten. Hoewel de productie van deze brouwers niet hoog was, was dit niet in het belang van de coopbrouwers en de stedelijke inkomsten. Het thuis brouwen door particulieren was dan ook aan strenge regels gebonden, die per stad verschilden. In Maastricht en Den Bosch waren de thuisbrouwers geregistreerd en mochten zij voor eigen gebruik bier brouwen tegen een verlaagd accijnstarief. In Utrecht mochten particulieren wel hun eigen bier brouwen, maar alleen op het 'brouwgetouw' van een erkende brouwerij en als ze er keurig accijns over betaalden.
De strijd met de geestelijke instellingen (kerken, kloosters, gasthuizen) verliep moeizamer. De kerk was een machtige partij, die krampachtig vasthield aan haar voorrechten. Pas met de ontbinding van de katholieke kerk tijdens de Reformatie (na 1570) verdwenen de kloosterbrouwerijen. Het zou nog 300 jaar duren voordat ze in onze contreien weer terug zouden keren.
Daarnaast hebben de steden en de gilden altijd felle strijd gevoerd tegen 'wilde' plattelandsbrouwerijen, een strijd die in sommige regio's met een sterk centraal gezag - zoals Holland, Friesland en Groningen - redelijk succesvol was, maar in de meeste gewesten niet bleek vol te houden.

Hoppenbier

In de 12e en 13e eeuw werd nog gruitbier gebrouwen, bier waarin een kruidenmengsel was toegevoegd om het enigszins houdbaar te maken en op smaak te brengen. De productie hiervan was kleinschalig, waardoor er in een stad heel veel van dit soort brouwerijtjes waren. Vaak werd de productie ervan gedaan door vrouwen. Waarschijnlijk zijn de kleinschalige ele-brouwers, die in Amsterdam in de 15e eeuw nog veel voorkwamen, ouderwetse gruitbrouwers geweest1.

In de 14e eeuw deed hoppenbier zijn intrede, dat vanuit Noord Duitsland werd ingevoerd. Dit bier moet een ware revolutie teweeg hebben gebracht. Niet alleen kreeg het bier een andere, meer bittere smaak, maar vooral van belang was dat bier dankzij de hop veel langer houdbaar bleef. Hierdoor kon de productie van een brouwerij sterk toenemen en kon het bier ook over langere afstanden worden vervoerd. Er vond dus een schaalvergroting plaats van productie en afzetmarkten. Het hoppenbier, dat vrij zwaar moet zijn geweest (Alberts heeft het over 6-8% alc.)2, werd een groot succes, en al snel gingen Nederlandse brouwers dit bier zelf maken. Hop was ook een in Nederland van nature aanwezig gewas. In deze tijd moet de hopproductie rond Heusden al aanzienlijk zijn geweest. Deze vond zijn weg via stapelmarkt Dordrecht naar de Hollandse steden en verder. De steden Delft, Haarlem, Gouda en Amersfoort zouden zich als de belangrijkste productiecentra van hoppenbier ontwikkelen.

Kuitbier

Een tweede innovatie in de 14e eeuw was de toevoeging van gerstemout in het hoppenbier, waar bier tot dan toe voornamelijk werd gebrouwen van haver- en tarwemout. De Nederlandse brouwers gingen hier al snel in mee, maar ontwikkelden een variant op het zware, met dure gerstemout gebrouwen hoppenbier. Door minder gerstemout te gebruiken, de totale moutstorting te verlagen en de kooktijd te verkorten, ontwikkelden zij een prima bier dat echter wat bleker en lichter was dan hoppenbier (4-6%)3, maar vooral ook een stuk goedkoper. Dit bier werd koyte of kuytbier genoemd en werd een groot succes en zou in alle Nederlandse steden gebrouwen worden. Grootste producenten van kuitbier werden Gouda en Delft, die het bier onder meer exporteerden naar Vlaanderen.
In oudere publicaties worden kuit- en gruitbier nog vaak door elkaar gehaald. Maar er was dus eerst Gruitbier (zonder hop), daarna Hoppenbier en pas daarna Kuit (variant op Hoppenbier).

Lees verder

3.0 Brouwerij ME
Brouwerij in de Middeleeuwen

1 zie Dudok van Heel, 1990.
2 Alberts, p.31 e.v.
3 Alberts, p.34.

-- Adverteerders --

© 2017-2018 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur