Geschreven door Rudi Bakker op 28 juni 2026

De bestrijding van de kwalijke gevolgen van alcoholgebruik is van alle tijden. In de loop van de 19e eeuw werd het een nationale kwestie. Na het vertrek van Napoleon en de afsplitsing van België uit het koninkrijk was Nederland een arm land en jenever was de volksdrank. Het was gebruikelijk dat arbeiders gedurende hun werkdag enkele borrels dronken. Alcoholisme lag dan op de loer. In 1838 publiceerde de sociaal geëngageerde predikant Ottho Gerhard Heldring De Jenever erger dan de Cholera. Een Volksboek, in voorbeelden en cijfers, voor arm en rijk, oud en jong. Daarin schetste hij onder andere de enorme toename van het jenevergebruik in enkele Gelderse steden. Zo dronk men in Nijmegen jaarlijks 4000 tonnen jenever en was het verbruik in Wijchen, Batenburg en Rheden in enkele jaren vier tot vijfmaal toegenomen.

De vrees voor het verder afglijden van de natie bracht de Haarlemse arts Willem Egeling, de Haagse predikant Theodoor Cornelis Reinier Huydecoper en grondbezitter Jacobus Stuart uit Velzen ertoe om in 1844 de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Sterken Drank, kortweg de NV, op te richten. Dit was de eerste particuliere organisatie die geheel gericht was op de bestrijding van alcoholgebruik. Zij onderbouwde haar kritiek vanuit verschillende gezichtspunten. Uit religieus perspectief werd bezwaar gemaakt tegen de losbandigheid en het zedelijk verval als gevolg van alcoholgebruik en dronkenschap. Artsen legden de nadruk op de lichamelijke verslapping en geestelijke afstomping, en rechtsgeleerden hadden vooral oog voor wanbedrijven en misdaden. Later werd ook het economisch argument toegevoegd dat drankmisbruik, vooral in arbeidersgezinnen, een onevenredig deel van het huishoudinkomen innam dat beter elders besteed kon worden.

Over het algemeen werd bier gezien als gezond alternatief voor jenever. Alleen was het bier sinds de 18e eeuw minder populair. Door belastingdruk en achterblijvende technologie was de kwaliteit gedaald, maar de prijs niet. Het kon dus moeilijk concurreren met de spotgoedkope jenever. In 1839 had Jan Backer het Koningsbier geïntroduceerd, dat op basis van aardappelsiroop werd gebrouwen. Gerrit Hendrik de Veer volgde in 1846 met Sagobier op basis van palmsago. Beide ‘bieren’ werden zonder mout gebrouwen en waren daarom vrij van accijns en dus een stuk goedkoper. Desondanks wilde het grote publiek er niet aan en na enkele jaren verdwenen ze alweer van de markt.

In weerwil van de drankbestrijders nam het alcoholgebruik in de loop van de 19e eeuw niet af, maar verder toe. Dit werd meer en meer als een maatschappelijk probleem ervaren. Overal in het land werden in navolging van de NV zogenaamde Multapatior-bonden opgericht die zich het lot van de getroffenen aantrokken. Multapatior, Latijn voor “ik lijd veel”, was het pseudoniem van journalist Ludovicus Petrus Philippona, die veel over het onderwerp publiceerde.

De druk op de politiek om maatregelen te nemen nam toe. Dat leidde uiteindelijk tot de invoering van de Wet tot regeling van den kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschap, kortweg de drankwet, die op 1 november 1881 in werking trad. In deze wet werd het aantal verkooppunten van sterke drank beperkt. Wie sterke drank wilde verkopen moest daarvoor een vergunning aanvragen bij de gemeente. Per gemeente werd vastgesteld hoeveel vergunningen er afgegeven mochten worden. Tevens werd de verkoop van sterke drank aan personen onder de 16 jaar verboden en werden openbare dronkenschap en het schenken aan mensen in kennelijke staat van dronkenschap strafbaar.

De drankbestrijding ontwikkelde zich ondertussen naar de toen opkomende verzuiling. De NV associeerde zich met de socialistische zuil. De liberale of algemene zuil werd vertegenwoordigd door de Volksbond Vereeniging tegen Drankmisbruik uit 1875 en de Algemene Nederlandse Geheel-Onthouders Bond. In 1899 werd de Nederlandsche bond van Roomsch-Katholieke vereeniging tot bestrijding van het drankmisbruik, onder den naam van „Sobrietas" opgericht en uit de protestantse zuil kwamen de Nederlandsche Christelijke Geheelonthouders Vereniging en de Gereformeerde Vereniging voor Drankbestrijding voort. Deze verenigingen verspreidden via kerk of vakbond hun boodschap met lezingen, tijdschriften en manifestaties en er verschenen affiches in het straatbeeld. Ook werden eigen drankvrije koffiehuizen en sport- en toneelverenigingen opgericht. Leden droegen een blauw insigne, waar de bijnaam “de blauwe knoop” vandaan komt.

Op de tiende algemene vergadering van de Volksbond Vereeniging tegen Drankmisbruik van 21 augustus 1883 werd een rapport besproken met de vraag: wat kan er door de Bond worden gedaan om het gebruik van bier als volksdrank te bevorderen? De commissie stelde: … “dat men het volk den jenever als volksdrank niet kan ontnemen zonder daarvoor een anderen drank in de plaats te stellen; dat koffij en thee daarvoor minder geschikt moeten worden geacht en dat wijn te duur is om daarvoor in aanmerking te komen zoodat niets anders over blijft dan bier". Ze stelde voor om bierhuizen op te richten waar goedkoop bier verkrijgbaar was en de werkbazen aan te sporen hun werklieden bier in plaats van jenever te schenken. De commissie had ook onderzoek gedaan naar beschikbare bieren voor dit doel. Zij selecteerde tientallen bieren in verschillende klassen van uitstekende of zeer goede bieren met een alcoholgehalte van hoogstens 3 procent.
Het is niet bekend in hoeverre de betrokken bierbrouwers profiteerden van de inspanningen van de bond. Feit is dat het alcoholgebruik aan het eind van de 19e eeuw niet noemenswaardig afnam.

In 1904 werd de drankwet aangescherpt. Voortaan moest voor de verkoop van alcoholhoudende dranken anders dan sterke drank verlof worden aangevraagd bij de gemeente. In een algemene maatregel van bestuur kon de gemeente vervolgens zelf bepalen aan welke regels met betrekking tot ruimte, licht en luchtverversing de lokaliteit moest voldoen om verlof te krijgen.

Drankbestrijders gingen zich meer richten op geheelonthouding in plaats van matiging. Zo werd in 1912 in Roermond het katholiek congres tegen het bieralcoholisme gehouden, vooral gericht tegen het “onnoemelijk getal bierhuizen, die de godsdienstige, zedelijke en stoffelijke belangen van het Limburgsche volk ten zeerste schaden”. Mede als reactie op de trend naar geheelonthouding begonnen sommige bierbrouwers te experimenteren met alcoholvrij bier, zie het eerste alcoholvrij.

In 1919 stelde Jhr. Ruys de Beerenbrouck, minister van Binnenlandse Zaken en een vurige drankbestrijder, een commissie in “welke te onderzoeken heeft in hoever de aanmaak en het verbruik van alcoholische dranken beperkt kan en moet worden”. De minister wilde in navolging van Amerika ook “zoo nabij mogelijk komen tot de „drooglegging" van Nederland”. In Noord-Brabant was pater Ildefonsus, bijgenaamd de Waterpater, een zeer fanatiek drankbestrijder, hoewel in het klooster waar hij woonde, De Kroon in Helmond, ook een bierbrouwerij was gevestigd.
Toen de Utrechtse gemeenteraad in 1920 plannen had om op zon- en feestdagen de verkoop van alcoholhoudende dranken te verbieden, kwam de Bond van Nederlandse Brouwerijen in het geweer omdat die “de belangen harer leden in het bijzonder en de belangen van het verkeer in het algemeen, dus het algemeen belang door een dusdanig verbod ernstig geschaad zou achten”. Als dit initiatief door andere gemeenten zou worden overgenomen, vreesde zij voor sluiting van brouwerijen en ontslag voor tal van arbeiders, agenten, vergunning- en verlofhouders. Bovendien, betoogde de bond, was bier een gezonde volksdrank. Het gebruik van bier had nergens aantoonbaar tot verstoring van de openbare orde of zedelijkheid geleid en een verbod zou tot clandestien gebruik aanzetten. “Redenen waarom requestrante zich tot u wendt met het verzoek u van medewerking aan de totstandkoming van een dusdanig verbod, althans voor bier, te onthouden”, aldus de bond.

In de loop van de 20e eeuw nam het alcoholgebruik in Nederland steeds verder af, maar het gaat te ver om deze ontwikkeling geheel toe te schrijven aan de drankwetgeving en de drankbestrijders. Vermoedelijk was de verbetering van de arbeidsomstandigheden van de fabrieksarbeiders een betere reden om de fles te laten staan. Bovendien waren de grondstofprijzen en daarmee ook de drankprijzen na de Eerste Wereldoorlog flink gestegen.

In 1931 werd de drankwet opnieuw gewijzigd. Bier werd hierin voor het eerst expliciet genoemd als zwak-alcoholische drank, overigens zonder nadere definitie.
Cafés en slijterijen moesten beschikken over Verlof A voor de verkoop van zwak-alcoholische dranken of Verlof B voor alcoholvrije drank. Het aantal verloven A was beperkt per gemeente. Net als voor locaties met sterkedrankvergunning, was het voor locaties met Verlof A verboden om personen jonger dan 16 toe te laten zonder begeleiding van een volwassene, om kansspelen te organiseren en om er loon te laten uitbetalen. Dit laatste was om te voorkomen dat arbeiders hun loon meteen zouden spenderen aan drank.

De geheelonthoudersverenigingen hadden vanaf de jaren dertig steeds minder aanhang. In de Verenigde Staten werd de drooglegging in 1932 opgeheven, waarna Heineken er als de kippen bij was om als eerste buitenlandse brouwerij een lading bier in te voeren. Na de Tweede Wereldoorlog nam het bier- en alcoholverbruik flink toe (zie ook het bier is weer best). In 1967 werd de drankwet vervangen door de Drank- en Horecawet. Hierin werd het maximum aantal vergunningen voor de verkoop van alcoholische dranken afgeschaft. Deze wet heeft na invoering nog enkele wijzigingen ondergaan die betrekking hadden op bier. In 2014 werd de leeftijdsgrens voor de verkoop van zwak-alcoholische dranken verhoogd van 16 naar 18 jaar. Vanaf 2021 geldt een verbod op prijsacties van meer dan 25 procent in de detailhandel en zijn volwassenen strafbaar als ze alcohol doorgeven aan minderjarigen.

Na meer dan 100 jaar drankbestrijding zijn de geheelonthoudersverenigingen van weinig betekenis meer. Ze zijn opgegaan in andere organisaties of hebben hun doel aangepast. De Algemene Nederlandse Drankbestrijders Organisatie (ANDO), de voortzetting van de NV, werd in 2013 opgeheven.

Adverteerders

×