Facebook Twitter

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Nieuw bier

In de eerste helft van de 19e eeuw hadden Nederlandse bierbrouwers het moeilijk. De vraag naar bier was sterk afgenomen, de Nederlandse brouwers liepen achter bij hun collega's uit andere landen en de bieren hadden geen beste reputatie. 'Het had de naam slap te zijn en als drinkers wél sterk bier wilden, dan grepen ze meestal naar bieren uit het buitenland'.1

Niettemin konden in Nederlandse koffiehuizen vele soorten bier worden verkregen. De 'inlandsche' bieren waren in te delen in wit of bruin, en in verschillende sterkten (en dus prijsklassen). Verder was er een onderscheid in zoete, bittere en zure bieren. Daarnaast kenden we een breed aanbod van 'uitlandsche' bieren. Populair in deze tijd waren vooral 'Engelsche' en 'Brabantsche' bieren. De prijs van deze bieren was een stuk hoger, maar hun reputatie een stuk beter, en zeker in de betere koffiehuizen waren zij zeer gezocht. Opvallend is dat Duitse bieren in deze tijd op de kaart vrijwel ontbraken. Dat zou echter weldra veranderen, een verandering die in gang werd gezet in het Zuid-Duitse Kitzingen.

Bier uit Kitzingen

De eerste vermeldingen van Kitzinger bier komen we in ons land tegen in 1835 in Amsterdam, waar in 'Das Deutsche Theater' en 'Zur Stadt Iserlohn' dit bier werd aangeboden. In de jaren 1840 begint dit bier ook elders in ons land door te breken.2 De stad Kitzingen vormde met Erlangen, Kulmbach en Neurenberg de bakermat van het 'Beijersch Bier', dat een ware revolutie zou ontketenen. In deze Beijerse steden wist men de 'ondergistende' brouwmethode te cultiveren, die principieel afweek van de gangbare brouwmethode.

De belangrijkste voorwaarde voor de Beijerse methode is een vergisting bij constante, koude temperatuur (5-7 graden celsius) en een lange rijping, eveneens bij lage temperatuur. Bij lage temperaturen zakt de gist naar de bodem (ondergistend); bij de traditionele wijze van vergisting vormt zich een gistdeken óp het bier(bovengistend). Belangrijke bijkomende voordelen van een koude vergisting zijn minder kans op infectie - een groot probleem voor de brouwers, vooral 's zomers - en een mooie klaring. Beijersch bier is dus niet troebel, langer te bewaren en constanter van kwaliteit dan de vaak instabiele bovengistende bieren. Ook vormt zich een mooie schuimkraag op het bier, omdat tijdens de lange rijping meer koolzuur wordt gevormd.

Ondergistend brouwen kan dus alleen bij lage temperaturen en een lange rijpingstijd. In Beieren werden de ideale omstandigheden bereikt in Felsenkeller: in de rotsen uitgehouwen ruimtes, die zich soms vertakken tot ware labyrinten. In Nederland ontbraken deze omstandigheden. Toch werden al snel pogingen gedaan dit bier na te brouwen, maar dat beperkte zich dan tot de wintermaanden.3 Het zou nog tot 1867 duren voordat in Nederland de eerste echte Beijersch Bierbrouwerij zou produceren. Daarna volgden er echter snel meer. Beijersch Bier vergde echter grote investeringen. Voor de koeling waren grote ijspakhuizen nodig, met dikke wanden, en gevuld met ijs; voor de langere rijping waren uitgestrekte lagerkelders nodig. Dat verdiende zich alleen terug bij een grootschalige productie. De komst van het Beijersch Bier gaat dan ook vergezeld van een overgang van ambachtelijke naar industriële brouwerijen, die op den duur grote gevolgen zou hebben.

Van koffiehuis tot Bierhalle

In het begin waren 'Beijersche bieren' een curieus luxeproduct, maar al snel begonnen ze aan een opmars. Koffiehuizen en bierhandelaren profileren zich in advertenties met deze bieren. Al snel verschenen in de steden overal 'bierhuizen' en 'bierhallen' naar Duits model4. Al snel begonnen ook Nederlandse brouwerijen te experimenteren met de Beijerse methode, maar als gezegd beperkte zich dat tot de wintermaanden. Volgens Daane waren het de brouwerijen van N. A. Bosch in Maastricht (De Keizer) en B.M. Perk in Den Haag (De Drie Kruisen) die respectievelijk in 1843 en 1844 al Beijers Bier wisten te maken. Mulder beweert zelfs dat het fameuze Nieuw Licht van brouwer F. van den Broek in Heumen (Bergzicht) ook al een ondergistend bier was, dat in de jaren 1830 al zeer gezocht was in Nijmegen5.
Vanaf 1867 echter adverteerden de koffiehuizen ook met 'Neerlandsch' of 'Amsterdamsch' Beijersch. Dit bier kwam van de eerste Nederlandsche Beijersch Bierbrouwerij, opgericht door een groep investeerders uit Amsterdam en gevestigd aan de Weesperzij. De brouwerij mocht zich zelfs 'Koninklijk' noemen na een bezoek van Koning Willem III tijdens de bouw. Dit bier was een succes en al snel werd het verschil tussen 'opregt' Beijersch en 'Amsterdamsch' Beijersch niet meer gemaakt. Ook in prijs waren zij gelijk. De brouwerij deed er zelf veel aan om de omzet te vergroten door het vestigen van eigen Bierhallen en agentschappen in andere steden.

Breed palet aan bieren

De komst van het Beijersche gerstenat gaf de biereconomie een enorme impuls. Dat wil niet zeggen dat de Hollandse, Engelse en Brabantse bieren nu van de kaart werden geveegd, dat zou pas veel later gebeuren. Het bieraanbod in de periode 1850-1870 was nog zeer breed, zij het met grote prijsverschillen.6 De Engelse bieren bleven de duurste, daarna volgden de Beijersche. Aan de staart van het peloton volgden de Hollandse bieren. Doch ook daar een groot onderscheid in prijs tussen de gewone bieren en edeler soorten als Hollandsche Ale (op Engelse wijze gebrouwen), Princessebier (speciaal voor de bootreis naar Indië ontwikkeld en daarom zwaarder en hoppiger)7 en Nieuw Ligt of Heumens (uit Heumen bij Nijmegen). In de goedkopere klasse figureerden bieren als Amsterdams Wit (van bierbrouwerij De Haan & Sleutels) en 'gewoon' bruin . Deze waren lager in de alcohol en vormden de standaardbieren die lokale brouwerijen produceerden. Ze werden door iedereen gedronken, vooral door minder draagkrachtige burgers.

Wiener en Pilsener

'Beijersch' was inmiddels een soortnaam geworden, die stond voor alle ondergistende bieren, binnen de soort waren verschillende bieren op de markt. En de ontwikkelingen stonden niet stil. In 1869 was het Wiener bier van brouwer Anton Dreher een sensatie op de internationale nijverheidstentoonstelling in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam. Hier waren ook Gerard Adriaan Heineken (van brouwerij De Hooiberg in Amsterdam) en de latere oprichters van de Amstelbrouwerij - C. De Pesters en J. van Marwijk Kooy - aanwezig. Het succes van het Wiener bier vormde voor deze mannen de directe inspiratie om ook ondergistend te gaan brouwen. Niet lang daarna echter werd het Wiener bier overvleugeld door een nog lichter en verfijnder bier uit Bohemen: het Pilsener. Dit bier, in 1876 voor het eerst in ons land gesignaleerd, en in 1879 voor het eerst in Nederland gebrouwen (in de Amersfoortsche Beijersch Bierbrouwerij), zou de wereld gaan veroveren.

Kaalslag

De introductie van het 'nieuwe bier' ontketende in de tweede helft van de 19e eeuw een ware revolutie. Het leidde tot een herwaardering van bier en een sterke toename van de bierconsumptie. Het bieraanbod was rond 1870 zeer breed en onze steden telden talloze bier- en koffiehuizen, vele naar Duits model, waar allerhande soorten bier werden geschonken, naast Duitse ook Engelse, Brabantse en Hollandse soorten.
Na 1870 werd echter snel duidelijk dat de nieuwe industriële brouwers de markt zouden gaan overnemen. De komst van de Koninklijke Nederlandse Beijersch Bierbrouwerij (1867) had al meteen een merkbaar effect op de biermarkt. Toen kort daarna (1871) ook Heineken en Amstel, en spoedig ook andere deze markt betraden en elkaar gingen beconcurreren op prijs, werd het 'luxeproduct' steeds betaalbaarder en begonnen de grote brouwers de markt steeds meer te bepalen. Om te concurreren met de goedkope Hollandse bieren introduceerden zij goedkope Lager- en Gerstebieren: ook ondergistend, maar minder sterk. Daarnaast had je soorten als Münchener en Dortmunder, die varieerden in moutigheid en hoppigheid. Met de komst van het Pilsener (na 1876) werd het aanbod aan ondergistende bieren nog sterker.

De traditionele Hollandse bieren, maar ook die uit Engeland en Brabant, verloren snel terrein. De brouwerijen die op oude wijze nog traditionele bieren brouwden kregen het steeds moeilijker. Overgaan op Beijersch Bier vergde te grote investeringen; op een nationale of zelfs internationale markt, waar de grote brouwers agressief opereerden, kregen zij geen kans. De ontwikkelingen op de Nederlandse biermarkt laten zich na 1870 kort samenvatten: de industriële brouwers vaagden de traditionele brouwerijen in korte tijd van de markt en begonnen daarna elkaar op te eten. De bierproductie richtte zich op steeds minder biersoorten, op schaalvergroting en prijs.

Tabel: Brouwerijen in Nederland anno 1980 (naar geschatte productieomvang)
Brouwerijen in Nederland anno 1980

Lees verder

6.0 Kon. Ned. Beijersch Bierbr
Koninklijke Nederlandsche Beijersch Bierbrouwerij

1 Roel Mulder (2017), p15.
2 Over de opkomst van het Beijersch bier zie Marco Daane (2016), p.241 e.v.
3 in Maastricht hebben enkele brouwers wel gebruik gemaakt van de grotten in de St. Pietersberg.
4 Hoe dat in Utrecht ging vertelt Volkers, 2017.
5 Zie Daane, p. 254 e.v. en Mulder p. 103.
6 Met dank aan de recente publicaties van Daane (2016) en Mulder (2017), die veel over de samenstelling van de vroegere bieren naar boven hebben gebracht.
7 Princesse(n) was de Nederlandse versie van India Pale Ale, maar bestond eerder (Daane, p115 e.v. en Mulder, p149).

-- Adverteerders --

© 2017-2018 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur