Facebook Twitter

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Gruit, kloosterbrouwerijen en thuisbrouwers

Vóór de ontdekking van de hop werd een speciale kruidenmelange gebruikt om het bier op smaak te houden, de gruit. Het belangrijkste ingrediënt van gruit, althans in Nederland, was gagel, een kruid dat hier volop groeit. De gruit was voor de bereiding van bier een onmisbaar bestanddeel, waarover al vroeg belasting, het zogenaamde gruitrecht, werd geheven. Dit recht was in handen van lokale machthebbers. De vroegste vermelding van het gruitrecht in Nederland kennen we van een tekst uit het jaar 999, die de overgang van het gruitrecht van (Zalt)Bommel naar de bisschop van Utrecht regelt.

De eerste gespecialiseerde commerciële brouwers ('coopbrouwers') zullen zijn ontstaan in de vroege handelsnederzettingen, zoals Utrecht en Dorestad. Zeker is dat de bierbrouwerij als gespecialiseerde tak van nijverheid - net als andere vormen van nijverheid - een typisch stedelijk verschijnsel was en zich dus manifesteerde met de opkomst van de steden in de 12e en de 13e eeuw1. Om hun belangen te beschermen verenigden brouwers zich per stad in gilden. De gilden verwierven in de loop der eeuwen veel macht. Onder druk van deze 'gemene' brouwers nam het belang van 'kloosterbrouwers en 'zelfbrouwers' snel af. Toch bleven tot in de 16e eeuw kloosterbrouwers actief. Na de Reformatie verdwenen ze. Het zelfbrouwen bleef zeker tot in de 18e eeuw van betekenis, maar dit verschilde sterk per stad. Daarnaast hebben de gilden altijd felle strijd gevoerd tegen 'wilde' plattelandsbrouwerijen, een strijd die uiteindelijk niet bleek vol te houden.

2.1 Gagel
Gagel

1 Kistemaker en Van Vilsteren, p 14.

-- Adverteerders --

© 2017-2018 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur