Facebook Twitter

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Bierstad Amsterdam

Bier uit Hamburg

Toen in de 14e eeuw het nieuwe hoppenbier ons land binnenkwam, was Amsterdam nog een bescheiden stadje aan het IJ. Het hoppenbier was in eerste instantie een bedreiging voor onze eigen bieren, die toen nog zonder hop werden gebrouwen (het zogenaamde 'gruitbier'). De graaf van Holland probeerde daarom de invoer van Hamburgs bier te verbieden, maar toen dat niet hielp besloot hij in 1323 een speciale accijns te heffen op de ingevoerde bieren. Om controle op deze accijns te houden werden Medemblik en Amsterdam aangewezen als enige havens waar de bieren uit het oosten ingevoerd mochten worden. Dit was het begin van Amsterdam als stapelplaats van bier en poort van de Oostzeehandel1.

De brouwnering

Amsterdam begon dus bescheiden en dat gold ook voor de biernijverheid in de stad. In het begin van de 15e eeuw zou Amsterdam zo'n tien brouwerijen hebben geteld. Honderd jaar later waren dat er 11 tot 13, waaronder nog een paar 'ele-makers' (kleine gruitbrouwers). In 1543 en 1585 was dit aantal niet gestegen2. Kortom, een bescheiden aantal, zeker in vergelijking met sommige andere steden in het land.
Als reden voor het lage aantal brouwerijen in Amsterdam worden in het algemeen twee factoren genoemd: de belangrijke bierimport vanuit Hamburg en de belabberde kwaliteit van het water in Amsterdam. De vraag is hoe zwaar de eerste factor woog, daar het Hamburgse bier veel te duur was voor de gemiddelde dorstige. Bekend is wel dat steden uit de omgeving, zoals Haarlem en Weesp, veel bier in Amsterdam afzetten. Belangrijker was vermoedelijk het water. De grachten waren vaak ernstig vervuild en kenden een slechte doorstroming. Bovendien was het water van het Damrak en het IJ brak door de open verbinding met de zee. Al in een vroeg stadium moest schoon water helemaal uit de Vecht worden gehaald met speciale waterschuiten.
In de bloeitijd van Amsterdam - de 17e en 18e eeuw - zou de bierproductie overigens sterk toenemen, Amsterdam zou uitgroeien tot de belangrijkste bierstad van Nederland. Overigens met een nog altijd beperkt aantal brouwerijen, de groei was vooral te danken aan een ongekende schaalvergroting.

De Alteratie: het begin van een Gouden Eeuw

In 1578 vond de Alteratie plaats, toen Amsterdam zich als laatste Hollandse stad aansloot bij de Reformatie. Spaansgezinde stadsbestuurders werden hierna de stad uitgezet. De revolutie vond zonder bloedvergieten plaats en werd meer ingegeven door zakelijke overwegingen dan ideële principes. Het isolement waarin Amsterdam dreigde te geraken was nu opgeheven, bovendien kon de stad een toevluchtsoord worden voor rijke ondernemers die het Spaanse Antwerpen ontvluchtten. Het was in feite een typisch staaltje Hollandse koopmansgeest die de Gouden Eeuw zou inluiden. Het herstel van de economie zette vrijwel direct in. Er was een ongekende ondernemingsdrang en de bevolkingsomvang groeide exponentieel. Een van de eerste taken die het stadsbestuur op zich nam was de 'uitleg', ofwel vergroting van het stedelijk gebied. Deze uitbreidingen vonden in verschillende fasen plaats:

  • 1e en 2e uitleg (va 1585)
  • 3e uitleg (1613-1625
  • 4e uitleg (1655-1665)

Bierkaart verandert mee

Tussen 1578 en 1625 steeg het aantal inwoners in Amsterdam van 30.000 naar 100.000. En bevolkingsaantal dat later zelfs nog verdubbeld zou worden. In de tussentijd werden zowel de Verenigde Oostindische (1602) als de Westindische Compagnie (1621) opgericht en vestigde ook de hoofdmacht van de Admiraliteit (nationale marine) zich in Amsterdam.
Uiteraard profiteerde de brouwnering van de bevolkingsgroei, maar veel belangrijker was de grote vraag naar scheepsbier. Ieder schip dat het zeegat koos moest bevoorraad worden met vaten bier voor de bemanning, en soms ook voor afzet in de overzeese gebieden. Ook de arbeiders op de vele scheeps- en timmerwerven, zeilmakerijen en touwbanen van de VOC, de WIC en de Admiraliteit moesten van voldoende bier worden voorzien. Tot ver in de 18e eeuw zorgde de scheepvaart direct en indirect voor een belangrijke deel van de afzet van de brouwerijen.

Het aantal brouwerijen steeg tot 20, wat opmerkelijk weinig lijkt. Rond deze tijd waren er veel kleinere steden in Nederland die er meer hadden. De schaal waarop de Amsterdamse bedrijven opereerden was echter ongekend. De productie nam dus sterk toe. Het ging om voor die tijd grote, moderne bedrijven. De brouwers vestigden zich bij voorkeur in de nieuwe stadsdelen, waar grote pakhuizen verrezen en de grachten breder waren en beter bereikbaar voor de waterschuiten. De brouwerijen behoorden tot de meest aanzienlijke bedrijven in de stad en waren in het bezit van de stedelijke elite: rijke kooplieden en regenten. Door onderlinge huwelijken bestonden er nauwe banden tussen deze families. In 1652 verenigden de brouwers zich bovendien in een Brouwers College: de Sociëteyt der Brouwers, een machtsfactor van betekenis.

De nieuwe stadsuitleg had een grote aantrekkingskracht op de brouwnering. In het gebied Korte Prinsengracht-Brouwersgracht werden zes nieuwe brouwerijen opgericht; aan de brede Prinsengracht verrezen zeven brouwerijen. Verder vestigden drie brouwerijen zich aan de Keizersgracht, Lauriergracht en Rozengracht. In totaal trok de nieuwe stadsuitleg maar liefst 16 nieuwe brouwerijen aan. De brouwnijverheid verdween uit de oude binnenstad. Een van de weinige die zich hier handhaafden was de ‘de Hooyberg’ (1592). Het complex strekte zich uit over een aanzienlijk terrein tussen de Nieuwezijds Voorburgwal en de Nieuwezijds Achterburgwal, met panden aan beide grachten3.

4.2 Paneel Societeit Adam 1734
Paneel Societeit Amsterdam (1734)

1 Een beknopte bierhistorie van Amsterdam wordt gegeven in Van Schaik & Volkers, 2013.
2 Dudok van Heel, 1990.
3 De geschiedenis van De Hooyberg is beschreven door Van Eeghen, 1958.

-- Adverteerders --

© 2017-2018 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur