Facebook Twitter

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Liberalisering (Utrecht en Gouda)

De liberalisering van de brouwnijverheid zou brouwerijen in staat moeten stellen om hun concurrentiepositie te verbeteren, door schaalvergroting en/of kwaliteitsverbetering. In Utrecht ging dat met kleine stapjes. Zo zien we dat in een verordening uit 1543 de raad de prijzen voor bepaalde bieren losliet en ook de samenstelling van de bieren niet meer voorschreef. Wel waren de brouwers gehouden aan 28 vaten per brouwsel, maar ze hadden voortaan de vrijheid zoveel graan in hun brouwsel te gebruiken als hen goed dunkte1

Voor het stadsbestuur van Gouda was de slechte kwaliteit van het bier aanleiding voor een geforceerde liberalisering van de brouwnijverheid. Deze stad was rond 1500 de belangrijkste bierstad van Holland, tot rond 1525 de export sterk achteruit liep. De graanprijzen en de invoeraccijnzen in de afzetgebieden stegen, maar door de strikte voorschriften konden brouwers daar niet flexibel op reageren. Dit ging ten koste van de samenstelling van het bier, met als gevolg dat de kwaliteit achteruit holde. Een nieuwe verordening verplichtte de brouwers om voortaan een eigen merk te voeren, in de verwachting dat daarmee de kwaliteit van het bier weer verbeterde. Later mocht ook de productie worden gedifferentieerd en mochten er meer bieren in verschillende prijsklassen worden gebrouwen. Een decennium later werd het Goudse brouwersgilde opgeheven. In korte tijd had in Gouda een complete liberalisering van de bierproductie plaats2.

4.1 Het Hert Utrecht
Brouwerij Het Hert in Utrecht

1 Volkers, 2006.
2 Zie ook Volkers 2006 over Utrecht en Pinkse 1982 over Gouda.

-- Adverteerders --

© 2017-2018 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur