Facebook Twitter

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Transformatie

In de 14e en 15e eeuw kwam de brouwnijverheid tot bloei en telden de steden het grootste aantal brouwerijen. Maar die waren kleinschalig en aan banden gelegd door stedelijke verordeningen en gilde-afspraken. Pas in de loop van de 16e eeuw konden brouwers hun vleugels uitslaan en groeiden brouwerijen uit tot 'kapitale neringen'.1
Een van de meest wezenlijke veranderingen was de losmaking van de knellende voorschriften waarmee de brouwers altijd te maken hebben gehad. Stadsbestuur en brouwersgilden hadden eeuwen lang bepaald wat een brouwer mocht en moest brouwen: van het aantal vaten tot de receptuur. Dit werd in de 16e eeuw losgelaten. Brouwers mochten steeds meer zelf uitmaken wat en hoeveel ze brouwden. Het gevolg was een ongekende schaalvergroting en efficiëntere brouwmethoden. Hierdoor nam het aantal brouwerijen weliswaar flink af, maar de totale bierproductie nam alleen maar toe. We kunnen stellen dat de bierbrouwerij, zeker in de steden, rond 1600 een volwassen bedrijf was geworden.

Waarom die liberalisering juist in deze periode doorzette is een interessante vraag, die nadere studie verdient. Het was de periode waarin keizer Karel V de opstandige gewesten Utrecht (1528) en Gelre (1543) definitief inlijfde bij Holland. Er brak een periode aan van relatieve rust, die zou duren tot het uitbreken van de Tachtigjarige oorlog (1568). Het lijkt erop dat deze periode gepaard ging met een mentaliteitsverandering, want juist in deze periode zien we dat allerlei voorschriften voor de brouwers werden verlaten of afgezwakt en zelfs dat accijnzen werden verlaagd. Politiek voerde Karel V een centralistisch regiem, maar op economisch gebied lijkt het erop dat juist liberale ideeën terrein wonnen. Het was dan ook de tijd van de Verlichting, waarin meer nieuwe ideeën het licht zagen, denk aan de Reformatie.

Lees verder

Autonomie

De ontwikkelingen verschilden per stad en regio, maar de trend naar meer autonomie zette uiteindelijk overal door, zeker na de Reformatie. In de bronnen is dit onder meer te merken aan de benaming van de brouwerijen. Nog in de 16e eeuw werden brouwerijen vooral aangeduid met de naam van de brouwer. Die maakten immers deel uit van een min of meer coöperatieve organisatie, die onder strenge regels van stadbestuur en gilden moesten zorgen dat de stad voldoende bier produceerde. Toen die regels werden losgelaten en brouwers hun eigen gang konden gaan, profileerden brouwerijen zich steeds meer met een eigen merknaam.

Ook de rol van de gilden veranderde. Weliswaar bleven de meeste brouwersgilden bestaan (in Gouda werd het overigens opgeheven), maar het coöperatieve karakter van de gilden veranderde al snel in dat van een bond van ondernemers, een belangenvereniging. In Amsterdam, dat niet eens een brouwersgilde kende, werd zo'n belangenvereniging speciaal opgericht: de 'Societeyt der Brouwers' (1652). Omdat de eigenaren van de Amsterdamse brouwerijen meestal ook hoge posities hadden in het stadsbestuur en in grote maatschappijen als de VOC of de WIC, vormden zij een machtig blok.
Holland kende bovendien nog een bovenlokale belangenvereniging, die der 'Generale Brouwers'. Een gezamenlijk belang was onder meer het tegengaan van het brouwen ten plattelande in Holland, maar ook de accijnsheffing op Hollandse bieren.

Schaalvergroting

De tweede helft van de 16e eeuw was een periode met wisselende politieke omstandigheden, die hun weerslag hebben gehad op de brouwnijverheid. Aan de korte periode van relatieve rust onder het bewind van Karel V kwam met het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog (1568), de problemen rond de Reformatie en de afscheiding van de Republiek, een einde. De oorlog ging, zoals vaker, gepaard met onrust, plunderingen, graantekorten en accijnsverhogingen. In combinatie met de ingezette liberalisering van de brouwnijverheid, zorgden deze omstandigheden er voor dat in de steden alleen de sterkste brouwers konden overleven.

In de eerste jaren van de Gouden Eeuw (1600-1700) zien we dat het aantal brouwerijen in de meeste steden fors is afgenomen. Dit kwam deels door schaalvergroting, maar ook door verlies van afzetmarkten. De biernijverheid in Gouda en Delft - die voor een groot deel afhankelijk was van de export naar de zuidelijke gewesten - kreeg de grootste klappen. Daarentegen kwam de biernijverheid in de jaren van Republiek in de havensteden Rotterdam en Amsterdam - dat zich in 1578 als laatste stad aansloot bij de Republiek - en vooral in Haarlem (met een grote afzet in Amsterdam en de Noordelijke Nederlanden) tot grote bloei. Ook op het platteland schoten de brouwerijen als paddenstoelen uit de grond. De stedelijke brouwers protesteerden daar heftig tegen, volgens hen was het zelfs een van de belangrijkste reden dat hun eigen nering zo sterk achteruit liep. Zij refereerden nog maar eens aan de door Karel V uitgevaardigde Orde op de Buitennering van 1530, die stelde dat brouwerijen op het platteland illegaal waren. Maar handhaving daarvan bleek, zeker in deze tijden, een illusie.

In de zuidelijke en oostelijke gewesten was de daling veel minder sterk, sommige steden zagen het aantal brouwerijen zelfs stijgen. Enerzijds lag dat aan de kleinschaligheid van het brouwwezen. Zo telde Maastricht nog 106 brouwerijen in 1650, maar daar zaten zo veel kleintjes tussen - sommige brouwden maar een paar keer per jaar - dat de totale productie (50.000 hl) ongeveer net zo groot was als die van De Hooyberg (Amsterdams grootste brouwerij) alleen2. Anderzijds kwam een aantal biersteden in de 17e eeuw tot bloei dankzij de vermaardheid van een aantal nieuwe bieren, die met veel succes in het westen werden afgezet. Deze 'streekbieren avant la lettre'3 waren onder meer het Breda's Wit, het zware Deventer-bier, de Nijmeegse 'Mol' en het Groningse Kluyn-bier.

Lees verder

4.0 Interieur
Interieur van een brouwerij

1 Zie Van Vilsteren et. al. p.72 e.v.
2 Philips, p.22.
3 Daane, p.112

-- Adverteerders --

© 2017-2018 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur