Facebook Twitter Instagram

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Brouwwater van de putstoel

Wegens de introductie van het hopbier in de veertiende eeuw en de groeiende bierproductie die dit teweegbracht, nam het volume van de brouwketels in de Nederlanden zienderogen toe. Hadden ze vroeger een inhoud van een paar honderd liter, rond 1500 kon in de grootste ketels ongeveer 5 duizend liter bier worden gebrouwen. Hoe groter de brouwsels, hoe meer brouwwater moest worden aangevoerd. Het heen en weer lopen met emmers water voldeed niet meer. Eind veertiende eeuw vonden innovatieve brouwers de putstoel uit, waarvan de vroegste vermelding uit Haarlem komt, de leidende bierstad van dat moment.

Luyken de brouwer
Detail van Casper en Jan Luyken, De brouwer (vóór 1694).

Een putstoel was een verhoogde staanplaats aan de waterkant, die met een trappetje kon worden beklommen. Naast de houten stoel stond een hefboom met contragewicht, waarmee men emmers of zakken water uit de gracht kon putten. Het water werd in een open houten leiding gegoten die vanaf de putstoel hoog over de weg door de pui van de brouwerij tot boven de brouwketel liep. Zo was het mogelijk een ketel in rap tempo te vullen, een enorm tijd- en arbeidsbesparende uitvinding. Overal waar zich grote brouwerijen bevonden, stond een putstoel op de kade. Op oude kaarten van diverse steden staan ze afgebeeld. Brouwers hebben tot in de negentiende eeuw putstoelen gebruikt.

putstoelen hoge der a
Putstoelen van brouwerijen aan het Hoge der A in Groningen, detail stadskaart E. Haubois 1643.

Het brouwwater voor het bier werd rechtstreeks uit de gracht, beek of rivier gehaald. Tot in de negentiende eeuw gold voor brouwers de wetenschappelijke richtlijn dat brouwwater transparant en geurloos moest zijn en dat het een neutrale smaak moest hebben. Stromend oppervlaktewater was hiervoor prima geschikt. Het verhaal dat mensen in vroeger tijden bier dronken omdat het water vervuild zou zijn, maar dat het bij het brouwen werd gekookt en daardoor veilig was, klopt niet. Brouwwater moest goed drinkwater zijn, van vervuild water kon je geen goed bier maken. Op de plekken waar brouwerijen waren gevestigd of openbare waterputplaatsen waren ingericht, zoals bij bruggen of langs de gracht, mochten geen vervuilende beroepen worden uitgeoefend. Leerlooierijen en textielververijen kregen plaatsen stroomafwaarts of buiten de stadsmuren toegewezen waar ze hun producten konden spoelen. Afval werd wekelijks opgehaald en voor menselijke uitwerpselen waren beerputten op het achtererf. Bij gebrek aan achtererven werd de beer in tonnen verzameld en als mest verkocht aan boeren uit de omtrek. Schoon drink- en brouwwater was van levensbelang.

Brouwerijen in achterstraten werden van water voorzien door ondergrondse leidingen, die vanaf de gracht onder huizen en tuinen door naar het brouwhuis liepen. De leidingen waren gemaakt van uitgeholde boomstammen die in elkaar waren geschoven, of van loden buizen. Kleine brouwerijen konden volstaan met een eigen waterput en wie geen put had, kon met lege tobben en vaten op draagbaars (burries) of karren water gaan halen bij een openbare waterputplaats.

houten waterleiding
Houten waterleiding uit de vijftiende eeuw, Centrum voor Archeologie Amersfoort.

Een uitzondering op dit algemene beeld vormden sommige steden in de kustprovincies die met brak water in de grachten te kampen hadden. Zilt of brak water leverde geen lekker bier op. Brouwers daar losten dit probleem op door met schuiten buiten de stad zoet water te gaan halen.

Tijdvakken:
Oerbier (–900)
Gruitbier (900–1300)
Hoppenbier (1300–1550)
Het vrije bier (1550–1650)
Bier in verval (1650–1835)
Beijersch bier (1835–1980)
Verscheidenheid in bier (1980–)
Der Hefner

Tags: Tijdvak Hoppenbier (1300-1550), Ingrediënten, Brouwtechniek

-- Adverteerders --

© 2017-2024 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur