Facebook Twitter Instagram

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Oorlogsbier in Leiden

Haring en wittebrood: ze zijn synoniem met Leidens Ontzet, jaarlijks gevierd op 3 oktober. Ze herinneren aan de verlossing van de ontberingen die de Leidenaren in 1573 en 1574 meemaakten terwijl Spaanse troepen hun stad belegerden. Er ontstond steeds meer gebrek aan voedsel. Brood, melk en graan werden gerantsoeneerd of in beslag genomen om te verdelen. Het werd zelfs verboden etenswaren te verkopen. Paarden werden geslacht, en een bekend verhaal is dat van de burgemeester die zijn eigen lichaam als voedsel aan de burgers zou hebben aangeboden.

Oorlogsbier
De zelfopoffering van burgemeester Pieter van der Werf door Mattheus Ignatius van Bree (collectie museum de Lakenhal)

Hoe zat het toen met het drinken? En dus met bier – dat toen nu eenmaal de belangrijkste volksdrank was? Het laat zich raden dat ook de grondstoffen voor de bierbereiding schaarser en schaarser werden. Dat blijkt uit schaarse gegevens erover tijdens de laatste dagen van het beleg in 1574. Burgers brouwden toen bier van ‘haverdoppen’ en zelfs van ‘stinckenden draff’ (het restant van reeds gebruikt bierbeslag, ook bostel genoemd). In plaats van hop voegden ze planten als alsem of wijnruit toe en het brouwwater vermengden ze met edik, een milde variant van azijn. Zo maakten de Leidenaren kennis met het fenomeen ‘oorlogsbier’.

Maar het ene oorlogsjaar was het andere niet. Na de bevrijding van Leiden ging de Opstand onder Willem van Oranje stevig en langdurig door. Voor die strijd was geld nodig. Dat kwam voor een groot deel uit de bier- en wijnaccijns. Oftewel: de Hollanders moesten stug doordrinken om zoveel mogelijk van die noodzakelijke belastingen op te brengen.

In het eerder zo uitgewrongen Leiden ging dat mis. Daar werden toen zware en dure bieren gebrouwen en gedronken, die van 10, 12, 14 en 15 gulden per ton. Dat had een keerzijde: hoewel zwaar bier een toename van de dronkenschap en misdragingen in de hand werkte, werd er percentueel minder gedronken dan van gewoon bier. Zodoende kwamen er ook minder accijnsopbrengsten binnen. Ondertussen werden er wel relatief veel van de broodnodige brouwgranen gebruikt. Daarom kregen de Leidse brouwers in 1587 een verbod om zwaardere bieren te brouwen dan van 5 gulden per vat. De inwoners moesten vooral méér drinken, en dus gewoon bier, niet zwaarder.

Meer oorlogsbier
Het was niet voor het laatst in onze geschiedenis dat het bier toen op een oorlog botste. Dat gebeurde ook tijdens de Eerste Wereldoorlog. Nederland deed daar helemaal niet aan mee, maar de internationale economische toestand had hier toen evengoed gevolgen. Vooral in 1917 ontstond er door aanvallen op koopvaardijschepen schaarste aan grond- en brandstoffen. De Nederlandsche Brouwersbond zag zich daardoor genoodzaakt de brouwers beperkingen op te leggen. Met ingang van 13 augustus mochten alleen een licht gekleurd ‘luxe bier’ en een donker ‘volksbier’ worden gemaakt. Van het zwaardere stout of bockbier was helemaal geen sprake meer.

Slappe brouwsels bleven over, met een stamwortgehalte van 5 à 6º (in april 1918 nog eens verlaagd), waar niettemin een ‘beduidend hooger’ prijskaartje aan hing. Was pilsener in de grote steden te koop geweest voor 10 cent per glas of 12 cent per halve fles, voortaan kostte het lichte bier (‘ter vervanging van Pilsner’) 17 tot 25 cent per glas of 17 cent per halve fles. Een halve fles donker bier, voorheen 10 cent, kostte voortaan 13 cent. Soms betaalden drinkers dus het dubbele, terwijl ze de helft aan bier kregen. Aan het bierbeslag werden bovendien rijst, mais, tapioca en suiker toegevoegd, en het uiteindelijk geproduceerde bier werd zelfs wel versneden met water tot een alcoholpercentage van 1,5 resteerde. Geen wonder dus dat de jaarlijkse consumptie ineen plofte van 86,9 liter tot 10 liter per hoofd van de bevolking.

Na die oorlog hadden bier en brouwers tijd nodig om zich te herstellen. De diversiteit aan bieren van de negentiende eeuw zou niet meer terugkeren, en de consumptie kwam aanvankelijk niet veel hoger uit dan 14 liter per hoofd. Die was juist weer licht gaan stijgen toen het noodlot opnieuw toesloeg: de Tweede Wereldoorlog brak uit en Nederland werd bezet door Hitler-Duitsland.

De biergeschiedenis herhaalde zich in de bezettingsjaren: het Rijksbureau Voedselvoorziening verlaagde het stamwortgehalte wegens ‘de grondstofpositie’. Het zakte stapsgewijs tot een absoluut minimum van 2,9º voor lagerbier in juli 1942 (tegen 8º voor de oorlog). Voor zwaar bier was het minimum 3,9º en voor stout 6,2º.

Op de ambtelijke bureaus was besloten de kwaliteit op te offeren aan de kwantiteit – en dat had een reden. De bierproductie was gedurende de eerste bezettingsjaren sterk gestegen. In 1943 bedroeg de totale omzet van de brouwerijen 2 miljoen hectoliter, tegen 1,37 miljoen in 1938. Bij gebrek aan beter hadden de Nederlanders zich namelijk op het bier gestort. Het was dus maar het best ze daar zoveel mogelijk aan te houden. Alleen was de grondstoffensituatie penibel. Zodoende werden de stamwortgehaltes aangepast aan de beschikbare hoeveelheden graan. Verder werden de brouwsels extra gehopt en nog wat opgepimpt met de edik van de 20e eeuw: karamelkleurstof.

Het viel echter niet mee om de Nederlanders bij de bierles te houden. In 1942 en 1943 werd het land zelfs drooggelegd: de handel in bier werd twee keer kortstondig stopgezet, onder andere wegens brandstoftekorten. Hetzelfde lot trof de productie in het najaar van 1944, aan de vooravond van de Hongerwinter, als brouwen toen al mogelijk zou zijn geweest. Bij diverse brouwerijen werden voorraden bier in beslag genomen ten behoeve van de Wehrmacht; voor de consumenten resteerden slechts kleine hoeveelheden.

Adv.blad voor Limburg 19441125
Advertentieblad voor Limburg 25 november 1944

Ook in de eerste bevrijde streken in het zuiden van het land werd nog niet gebrouwen. Dat zou pas ruim na de landelijke Bevrijding weer gebeuren. Op ‘gewoon’ bier was het toen nog wel geruime tijd wachten. Per 3 december 1945 werd de beschikking uit 1942 over het stamwortgehalte weliswaar ingetrokken, maar het nieuwe minimum was nog altijd armzalig met 5,9º. Het zou andermaal tijd en energie vergen om het publiek weer aan het bier te krijgen: in 1949 was de jaarlijkse bierconsumptie opnieuw gezakt tot het absolute dieptepunt van 10,1 liter per hoofd van de bevolking.

 

Tijdvakken:
Oerbier (–900)
Gruitbier (900–1300)
Hoppenbier (1300–1550)
Het vrije bier (1550–1650)
Bier in verval (1650–1835)
Beijersch bier (1835–1980)
Verscheidenheid in bier (1980–)

Tags: Tijdvak Het vrije bier (1550-1650), Ingrediënten, Regionaal

-- Adverteerders --

© 2017-2024 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur