Facebook Twitter

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Saamhorigheid der brouwers

1 mei 2018 - Rick Kempen.

Wie begin dit jaar aanwezig was bij de tweede editie van de Dutch Craft Beer Conference moet op zijn minst heel even gedacht hebben dat de Nederlandse bierwereld er een is van dikke vrienden en grote saamhorigheid. De aanwezigen deelden kennis met elkaar, gaven tips over het perfectioneren van elkaars bier en wekten de indruk rug aan rug, schouder aan schouder, pal te staan voor hun gezamenlijke toekomst. Is die saamhorigheid exemplarisch voor onze biercultuur?

De Brouwneering
In “De Generale Brouwers van Nederland”, een in 1918 verschenen ‘bijdrage tot de geschiedenis der brouwnering in Holland in de 17e, 18e en 19e eeuw’ van Dr. E.M.A. Timmer, lezen we somtijds vermakelijke verslagen van de bijeenkomsten van de verenigde brouwers in wat toen Holland was (nu grosso modo de provincies Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en delen van Gelderland en Noord-Brabant).  De aanleiding voor deze “uytoeffenaaren der brouwneering” zich te verenigen lag, hoe verrassend, in welbegrepen eigenbelang. Destijds werd er ook al stevig belasting geheven - al heette dat anders. Maar of het nu impost, afdracht, accijns of zegelgeld werd genoemd: niemand betaalde het graag en men probeerde al helemaal de heffingen in andere Provinciën ongedaan te maken, te ontduiken of te ontlopen. Dat lukte natuurlijk niet en dus poogde men op zijn minst om dan de bieren, gebrouwen in die andere Provinciën of nog veel verder weg, te Holland zodanig zwaar te laten belasten dat er een fijn concurrentievoordeel uit overschoot. De messen waren dus geslepen bij de eerste bijeenkomst, die rond 1660 moet hebben plaatsgevonden.

Eensgezind tegen elkaar
Hoe eensgezind men ook begon, al gauw brokkelde die saamhorigheid af. Natuurlijk waren er brouwers of brouwerijvertegenwoordigers die hun contributie niet betaalden, wel wilden meeëten met het gezamenlijk diner maar daarvoor niet betaalden- kortom, sommigen kregen er genoeg van “zich moeite en kosten in ‘t belang der brouwnering van de geheele provincie te getroosten, terwijl andere leden, die van hun arbeid en offers mede de vruchten genoten, noch geldelijk steunden noch eenige medewerking verleenden”. Freeriders: ze zijn er altijd geweest, en ze zullen er altijd zijn. (Is, à propos, elke Nederlandse brouwerij al lid van CRAFT of Nederlandse Brouwers?)
Geestiger nog dan het gekonkelfoes tussen al dan niet contribuerende brouwers uit de toenmalige Hollandse steden - vooral Alkmaar, Hoorn en Purmerend maakten het bont - is de fanatieke tegenwerking van brouwers op het platteland. Soms moeten zelfs de Hun Edel Groot Mogenden er aan te pas komen om aan die vermeende oneerlijke concurrentie een einde te maken. Nee, op enig begrip of mededogen moesten kleine en onafhankelijke brouwerijen destijds niet rekenen - zolang zij buiten de stadsmuren gevestigd waren.

Het Bier is weer best
Springen we even naar de twintigste eeuw, waar in de jaren vijftig de eerste en enige gezamenlijke campagne van het Centraal Brouwerij Kantoor (CBK, dan de vereniging van alle Nederlandse brouwers) wordt gevoerd. Nadat de schade van de Tweede Wereldoorlog is opgenomen - voor brouwers was er bitter weinig graan beschikbaar en de consumptie is teruggevallen tot een miezerige tien (10!) liter per hoofd van de bevolking per jaar - besluit men gezamenlijk de lof van het bier te zingen (lees: het Nederlandse pilsener, want vrijwel alle andere, oorspronkelijke, bierstijlen zijn dan al in de vergetelheid geraakt) met de campagne “Het Bier is weer best!”. Doel is de Nederlander weer tot bierconsumptie te verleiden: dat bier werd, vanwege de slechte kwaliteit van het in oorlogstijd gebrouwen spul, breed versmaad. Ook het toenmalige cafépersoneel werd erin betrokken: de “Biertapwedstrijden” stammen uit die tijd, waarmee ook kelners erop werden gewezen dat het met bier weer snor zat. Ik verdenk het toenmalige CBK ervan financieel te hebben bijgedragen aan die klassieker van “Het Cocktail Trio” - ‘Batje Vier’, vaak gedacht ‘Leve de man die het bier uitvond!’ te heten. Briljante, branchebrede promotie - toen kon dat nog.

Rug aan rug
Eensgezind streed de Nederlandse brouwersgemeenschap voor het eigen, en dus het gezamenlijke belang. En het hielp, want de bierconsumptie piekte in de jaren negentig tot bijna honderd liter per persoon per jaar. En, in aanmerking genomen dat het aantal brouwerijen in Nederland in die twintigste eeuw van meer dan 500 aan het begin terugloopt tot drie handenvol in de jaren tachtig, is dat een fenomenale prestatie. Het bewijst dat je als samenwerkende bedrijfstak echt iets bereiken kunt. Bovendien is het een hartverwarmende verandering ten opzichte van het gekrakeel der Hollandsche Brouwers van eeuwen geleden. Ik reken erop dat onze brouwers nu meer dan alleen die indruk wekken en daadwerkelijk rug aan rug, schouder aan schouder, pal staan voor hun gezamenlijke toekomst.

Het bier is weer best

-- Adverteerders --

© 2017-2018 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur