Facebook Twitter

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Een vreemde vogel in de brouwwereld

1 maart 2018 - Marco Daane.

Onlangs zat ik aan tafel naast Corien Bakker, de stadsarcheologe van Den Haag. We raakten aan de praat over de nogal curieuze Haagse brouwgeschiedenis. Tot mijn verbazing vertelde ze me dat de populaire stadsbrasserie die op de plaats staat van de Haagse oerbrouwerij De Oyevaar en daarnaar vernoemd was, kort daarvoor van naam was veranderd. Waarom? Geen idee. Het leek me een ijzersterke naam: hij sluit aan bij de historie van de stad en de ooievaar staat in het Haagse stadswapen. Misschien zijn de nieuwe eigenaars wel ‘vreemde vogels’; ook dat begrip is typerend voor Den Haag. Op 14 april a.s. staat de jaarlijkse Dag van de Haagse Geschiedenis zelfs in het teken van dit thema.

 

Den Haag 1649 klein

Tegenwoordig heeft Den Haag enkele van de interessantste jonge Nederlandse brouwerijen: Kompaan, razendsnel gegroeid van huurder tot verhuurder en brouwer van Neerlands beste bier 2017; Animal Army, die in de ‘Engelse’ pub The Fiddler echte cask ales brouwt; en Haagse Broeder, een kloosterbrouwerij waar twee lekenbrouwers samen met kloosterlingen biermagie verrichten. En er zijn meer brouwinitiatieven.
In het naburige Delft, met alleen de minder in het oog lopende Koperen Kat en Bierfabriek, is de toestand hierbij vergeleken mager. Vroeger was de verhouding tussen die twee steden juist precies omgekeerd. Nou ja, steden: Den Haag wás aanvankelijk helemaal geen stad. En dat was in hun ongemakkelijke relatie juist het hele eiereten. Ooievaars-eiereten.

Dorps- en legerbier
In de 16e eeuw was Delft de belangrijkste bierstad van Nederland. De veel kleinere buur Den Haag nam vooral daar bier af. Niet alles: in een Haagse oorkonde uit 1504 komt de Haagse brouwer Claes Claesz voor, wiens ‘huis en erf en brouwerij op het Spui’ waren gevestigd. In 1506 pachtte Claesz de Haagse rosmolen aan het Noordeinde. Zo’n door paarden draaiend gehouden molen maalde graan of mout. De transactie wekt de indruk dat niemand anders die rosmolen gebruikte. Claesz was toen wellicht dus de enige Haagse brouwer. Hij demonteerde de rosmolen en bouwde die bij zijn brouwerij aan de oostzijde van het Spui weer op.
Of Claesz’ brouwerij in 1531 nog bestond, is onbekend. In dat jaar kregen de Hollandse industriesteden meer macht. Ze hadden bedongen dat belangrijke nijverheidsactiviteiten, zoals bierbrouwen, voortaan hun exclusieve recht werd. Dorpen (die hen beconcurreerden door lagere kosten) mochten zich er volgens deze Order op de Buitennering niet meer mee bezighouden. En Den Haag had toen geen stadsrechten. De Order maakte echter twee uitzonderingen: het ging om ‘beslooten [ommuurde] steden (den Hage ende Alckmaer daeronder gereeckent)’. Den Haag kreeg dus wel stedelijke economische rechten. Misschien omdat het Hof van Holland er zetelde, het bestuurscentrum voor Holland (het Binnenhof, weet u wel).
Pas eind 1573 stichtte Den Haag een brouwerij; op dat moment de enige. Prompt tekende Delft protest aan: de stad beweerde dat bierbrouwen apart stond in de Order op de Buitennering. Het mocht niet in Den Haag. Gebeurde het toch, dan zou Delft de belastinginning boycotten. De Tachtigjarige Oorlog maakte de kwestie complexer. Den Haag was net bezet door het Spaanse leger. Het lokale bestuur stelde dat de brouwerij ten goede van de inwoners moest komen, én ‘vant leeger van de Conincklijke Majesteit dat hier jegenwoirdich es’. Den Haag ging dus ook nog eens brouwen voor Holland’s vijand. Een fanatieke Delftse legerkapitein, Dirck Jansz Uyttebroeck, dreigde de boel te komen vernietigen als Den Haag niet zou inbinden. Maar Den Haag bestelde rustig roerkuipen en brouwketels uit het eveneens bezette Haarlem. Begin 1574 stond de brouwerij ‘opt Spoye’ (het Spui) vermeld in een officiële publicatie. Het dorp Den Haag was ineens een heel vreemde eend in de bijt van de stadse Hollandse brouwwereld.
Lang duurde dat gefladder niet. In de zomer van 1574, toen veel Hagenaars ook vluchtten voor het continue krijgsgewoel, werd de kersverse brouwerij te gronde gericht.

Ooievaarsnest
34 jaar later begon het spel opnieuw. Oud-schepen Wiert Gerritsz. van Overmeer kocht eind 1607 een perceel tussen de Turfmarkt en de Kalvermarkt – waar nu die brasserie staat – en liet er een brouwerij bouwen. Het was niet de eerste daar: op een aangrenzend terrein had het vrouwenconvent Sint Maria in Galilea tot 1567 een eigen kloosterbrouwerij gehad.
Maar in 1608 kwam er van brouwen in deze buurt niets. Delft balde weer de vuisten: als deze brouwerij, De Oyevaar, in werking trad, zou het een nieuwe belastingmaatregel afwijzen. De Staten van Holland gaven Delft vervolgens gelijk. Ze wogen het relatief kleine Haagse belang af tegen een groter financieel Hollands risico. De belastinginkomsten van de Delftse bierindustrie waren nodig voor ‘conservatie van des gemene lands middelen’, zeker omdat Holland zich toen aan de Spaanse overheersing ontworstelde.
Den Haag dreef de zaak echter op de spits. Het wees op zijn rechten conform de Order op de Buitennering. Uiteindelijk kwam het in september 1612 tot een compromis: in Den Haag mocht gedurende dertig jaar één brouwerij functioneren.
De Oyevaar kon natuurlijk niet alle Haagse dorst lessen. Bovendien bleef het Delftse bier zeer gereputeerd. Den Haag verbeterde ook de faciliteiten voor de aanvoer ervan per schip. Vanaf 1615 kon het Delftse bier worden gelost op de hiervoor aangelegde (en nog altijd bestaande) Bierkade aan de rand van Den Haag. Bierstekers (groothandelaren) moesten daar voortaan verplicht gevestigd zijn.
Ook Oyevaar-brouwer Gerritsz. van Overmeer kocht er vier percelen. Zo breidde hij zijn bierbedrijf uit. Met de tijdelijke legalisering van het Haagse bierbrouwen in 1612 was een ontwikkeling in gang gezet die niet meer te stoppen bleek. Na de dertigjarige overeenkomst kwam er zelfs Haagse Bluf op tafel: Den Haag wilde verlenging én een tweede overeenkomst. Weer ontstond er reuring, maar de Staten stemden toe. Inmiddels waren de economische verhoudingen veranderd; Delft was als brouwstad nog slechts een schim van het verleden. Zo ging in 1643 de tweede Haagse brouwerij De Roode Leeuw van start, aan wat de Brouwersgracht ging heten. De geest was definitief uit de fles: ondanks herhaalde protesten volgde in 1686 De Drie Kruisen op de Prinsengracht.

Bierkade 18e eeuw gezien naar het Spui
Bierkade, 18e eeuw, gezien naar het Spui

Van dorp naar bierstad
Met die laatste verwierf Den Haag uiteindelijk zelfs betekenis als bierstad. In de 19e eeuw werd De Drie Kruisen het toneel van de industriële revolutie op biergebied. Toenmalig eigenaar Bernard Perk (een Delftenaar!) brouwde en verkocht in de winter van 1844 als een van de eersten in Nederland ondergistend bier, naar Beiers voorbeeld. Perk ontwikkelde zelfs een ambitieus plan voor de eerste grote Nederlandse bierfabriek met ijskelders, maar kreeg dat niet rond. Die primeur was uiteindelijk voor Amsterdam, in 1867. In Den Haag ging pas in 1881 zo’n industrieel brouwbedrijf van start, de Zuidhollandsche Bierbrouwerij (ZHB).
Toen de ZHB in 1974 dichtging, droogde het stroompje Haags bier dat na enkele haperingen in 1612 zo miraculeus op gang was gekomen dan toch op. 22 jaar later pikten de Fiddler and Firkin en het Brouwcafé op Scheveningen de draad weer op, gevolgd door de eerdergenoemde brouwerijen. Daarnaast is er een brouwerijhuurder die Eiber (ooievaar) heet. En heeft de gemeente door onder meer Animal Army en de Scheveningse een Oyevaar-bier laten brouwen, als hommage aan het rumoerige brouwverleden van dit merkwaardige ‘grootste dorp van Nederland’.
Daarover, en over het erfgoed dat ervan resteert, is natuurlijk meer te vertellen dan hier alleen in kort bestek kan. Houd de agenda van de Dag van de Haagse Geschiedenis maar in de gaten voor een bierhistorische wandeling.

-- Adverteerders --

© 2017-2018 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur