Facebook  Instagram

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Eerder verschenen Blogs

Worden we 100?

1 januari 2026 - Marco Daane.

Dit is het honderdste blog op de website van de SENB. Elke maand reflecteert een lid van een gezelschap schrijvende biermensen hier op een (vaak actueel) onderwerp dat te maken heeft met de drie ledematen van het SENB-lichaam: Erfgoed, Biercultuur en Nederland.
Destijds mocht ik het spits afbijten met blog 1, en het leek Meneer de Voorzitter daarom aardig dat ik ook nummer 100 zou schrijven. Dat zou bij voorkeur ook iets te maken moeten hebben met ‘100’.
100, ja maar 100 hoe of wat? De honderdste brouwerij? Of de top-100 van Nederlandse bieren? Bij nader inzien leek het me interessant om het eens te hebben over brouwerijen die 100 jaar of ouder zijn geworden. Die hebben we: Heineken, Grolsch, Swinkels, Dommelsch, Budels, Hertog Jan, Lindeboom, Gulpener, Alfa, Brand. Wat is het verhaal daarachter? En de recente generaties brouwerijen, waarvan wij bierliefhebbers het ontstaan en de ontwikkeling hebben meegemaakt - zouden die ooit misschien ook 100 kunnen worden? Zo ja, hoe dan, waarmee en waarom?

Het is voor een brouwerij niet eenvoudig 100 te worden, zelfs als hij Heel Goed en Heel Populair is. Kijk maar terug op het afgelopen jaar, waarin enkele van onze beste, meest geliefde en onderscheidende brouwerijen ermee stopten: Nevel, De Molen, De Prael en Ramses, en aanvankelijk ook de Bronckhorster. Ze waren al weg nog voor ze maar de helft of zelfs een kwart van 100 konden worden. Dit is ook geen specifiek Nederlands verschijnsel. Half november kwam het spraakmakende nieuws van de sluiting van Rogue Ales in de VS, na 37 jaar.
Deze brouwerijen zijn om uiteenlopende redenen gestopt - puur (bedrijfs)economische problemen, zakelijke besognes of dito conflicten. Ook 100+ jaar oud kunnen worden heeft heel diverse achtergronden. Toch zijn daar wel wat algemeen geldende randvoorwaarden voor te formuleren. Van de brouwerijen die 100+ zijn geworden kunnen we daarover ook iets leren.

Het zal u niet verwonderen dat een heel belangrijke randvoorwaarde is ‘genoeg bier verkopen’. Ik hoor u iets zeggen met ‘haalt’ en ‘koekoek’. Toch is dit niet zo simpel als het lijkt. Een andere belangrijke stelregel lijkt namelijk te zijn: zelfstandig blijven. Alle bedrijven die tot 1980, het dieptepunt qua aantal brouwerijen in ons land, werden overgenomen, zouden uiteindelijk sluiten. Hun klanten moesten voortaan maar het eenheidsbier (pilsener) drinken van de overnemende partij - een van die voornoemde collega’s die 100+ zijn geworden. Het overkwam zelfs grotere en belangrijke brouwerijen. Amstel, opgericht in 1870, werd in 1968 ingelijfd door Heineken. Het merk haalde daarna de 100, het bedrijf niet. Nog sterker: dit is ook honderdjarigen overkomen, zoals De Gekroonde Valk en De Sleutel.

Kan hetzelfde gebeuren met hedendaagse ‘slachtoffers’ van overnames? De situatie lijkt voor hen wel te zijn verbeterd door de differentiatie van de biercultuur. Tot 1980 brouwden de (veelal regionale of lokale) bedrijven die werden overgenomen wel andere bieren dan pilsener, maar dat waren kleine merken en oudere soorten die al waren gekrompen. In de jaren tachtig begon de marktbeweging echter andersom te gaan, met nieuwe (Belgische) biertypen: witbier, amber, dubbel, tripel. Enkele Nederlandse brouwerijen gingen die ook zelf produceren. De grootbrouwers wilden zulke bieren wel in hun pakket hebben, maar niet zelf brouwen (of konden dat niet). Zodoende volgden na verloop van tijd de overnames van De Ridder (door Heineken, 1982), Raaf (door een voorloper van AB InBev, 1991) en de Arcense (idem, 1992). Interessante objecten wegens hun diverse aanbod bleken toen ook Brand (overgenomen door Heineken, 1989) en De Kroon (door Swinkels, 2000).
Later werd het snelgroeiende ‘craft’ zelfs een factor om serieus rekening mee te houden. Je kon het als concern beter maar binnenboord hebben dan aan de concurrentie overlaten. Daarom gingen zulke grootbedrijven toen wederom op het overnamepad. Ze verwierven ook De Molen (Swinkels, 2019), de Texelse (Heineken, 2020), Uiltje (Swinkels, 2021), Oedipus (Heineken, 2023), De Eeuwige Jeugd (Moortgat, 2025) en een onbekend deel van ’t IJ (Moortgat, 2015).

meer of grotere ketels

Soms leidde zo’n overname tot aanzienlijke veranderingen bij de brouwerijen. Brand en de Texelse kregen binnen het Heineken-concern op den duur een aangepaste positie. De productie van hun commercieel meest succesvolle bieren ging naar elders en zelf werden ze in feite omgevormd tot microbrouwerijen met een heel specifiek gamma. Maar er zijn ook wel degelijk brouwerijen opgeheven. Van de eerstgenoemde groep brouwerijen gebeurde dat met De Ridder, Raaf en De Kroon, en afgelopen jaar dus met een van de speerpunten van craft in Nederland: De Molen.
Een overname door een grote partij wegens commercieel interessante bieren biedt dus niet automatisch een garantie op een 100-jarig bestaan.
Anderzijds: een kleine craftbrouwerij kán functioneren binnen een grootbedrijf. Uiltje floreert onder de vleugels van Swinkels, en hetzelfde lijkt te gelden voor Oedipus bij Heineken. Ik maak dat zelf natuurlijk niet van binnen mee, maar kan me voorstellen dat zo’n kleine brouwerij zich dan over allerlei ‘nevenzaken’ niet (meer) druk hoeft te maken. Ze kan zich op het brouwen en de eigen identiteit richten. Als het moederbedrijf haar daarbij die eigen, succesvol gebleken gang laat gaan, kan zij een stabiele en in enig opzicht winstgevende dochteronderneming worden.

Maar ik hoor het u nu zeggen: ‘Ja, áls.’ Allerlei bedrijfseconomische processen kunnen hierin immers een rol spelen, waaronder de ‘cultuur’ van het moederbedrijf en die van de dochteronderneming. Het enigszins speelse, vrije en tastende van zo’n moderne jonge dochter kan haaks staan op de hiërarchischer, vormelijker en traditionelere inrichting van een grote oudere moeder. Zo vertelde een (gerespecteerd en ervaren) vertegenwoordiger van zo’n moederbedrijf me eens dat het bij een verworven dochterbedrijf in feite een ongeregeld zootje bleek te zijn.
Bij zoiets zal behalve de bedrijfscultuur ook perceptie een rol spelen. Het gaat niet om ‘gelijk’ hebben of iets dergelijks, want het samengaan van de twee is al een feit. En beide bestaan al een tijd, inclusief hun cultuur. Ze zullen nog naar elkaar toe moeten groeien, moeten geven en nemen, passen en meten.
Dat is niet altijd eenvoudig. En roept óók de vraag op of je het wel moet willen, zo’n samengaan dat meer een ouder-kindrelatie dan een huwelijk is. Niet iedereen kan dat aan, is er geschikt voor of is er gebaat bij. Zelfstandigheid is geen garantie op 100 worden. Maar de schijnbaar beschermende laag die een moederbedrijf biedt óók niet.

Bier verkopen blijft hoe dan ook het sleutelbegrip, zeker om zelfstandig 100 jaar oud te kunnen worden. En hóé je (eventueel méér) verkoopt: dat is een vraagstuk op zich. Moet je bijvoorbeeld gaan groeien als het goed gaat? En zo ja, op welke wijze? Spaar je dan voor grotere ketels? Ga je capaciteit elders huren? Begin je met crowdfunding? Of laat je de (eventueel toenemende) vraag juist voor wat ie is en concentreer je je liever op voortdurende kwaliteitsverbetering?
Vreest niet, lezer, het is me niet in de bol geslagen en ik beweer met dat laatste geen onzin. Zulke brouwbedrijven zijn er daadwerkelijk. Die vinden vaak ook dat u naar hen of hun omgeving moet komen als u hun bier wilt proeven. Deze brouw(st)ers laten zich niet of weinig in met marketingjongens, distributiekanalen en groeimodellen, maar liever met steeds beter bier en een overzichtelijk bedrijf. Dat draagt hun identiteit en kan wellicht op familie of andere naasten overgaan.
In het verleden zijn veel van zulke bedrijven opgericht die vervolgens als familiebrouwerijen de stormen van de tijd hebben doorstaan en, jawel, de 100 hebben gehaald. In Groot-Brittannië en België bestaan er nog heel wat en bij ons ook enkele: Alfa, Budels, Gulpener, Lindeboom. Zou dat verschijnsel zich kunnen uitbreiden in Nederland vanuit de huidige omvangrijke biercultuur, nu de eerste ‘jonge’ brouwerijen al niet meer zo heel jong zijn?
Mommeriete in Gramsbergen, een van de beste daarvan, huldigt die filosofie van lokaal/regionaal produceren, verkopen en wortelen met kwaliteitsbier. En de (mede-)eigenaresse ervan vertelde me onlangs dat haar dochter wel eens in het bedrijf zou kunnen komen werken. Zoiets hoeft overigens niet meteen werk tussen de brouwketels te zijn. In elk bedrijf, ook een brouwerij, is immers meer te doen. Bij Tesselaar Familiebrouwerij Diks op Texel namen in 2025 andere familieleden het roer over van oprichter Maurice.

Een alomvattend recept voor het bereiken van de 100-jarige leeftijd is er niet. Ik kan me zo voorstellen dat de meeste brouwerijeigenaren er ook niet mee bezig zijn. Ze leven, werken en brouwen in een heden dat al lastig genoeg is. Eerst en vooral willen ze het hoofd boven water houden, zo lang mogelijk. 100 jaar oud worden zal in hun gedachten niet direct meespelen. Het is allemachtig ver weg, en niemand zal het ooit zelf meemaken.
Toch is het min of meer verweven met hun dagelijks werk. Velen hopen sowieso dat ze een duurzaam brouwbedrijf hebben neergezet. De continuering daarvan zal zich ooit echter ook aandienen. Op enig moment zullen ze de vraag zien rijzen wat te doen met het bedrijf na hun pensioen - inclusief eventuele opvolging. In het verlengde daarvan ligt de kwestie wat ermee gebeurt als zij er niet meer zijn. En ja, die kan zich zomaar uitstrekken tot honderd jaar na de start.
De consument moet ondertussen hun bieren kopen. Al naar gelang diens voorkeur bieren van kleinere regionale brouwers, van jonge crowdfundende honden of van moeders en dochters in het grootbedrijf. Ergens, ergens zullen er dan toch honderdjarigen kunnen overblijven die brouwen voor onze (klein)zonen en -dochters?

Opgedragen in herinnering aan Ad Daane-Ruissen

 

-- Adverteerders --

© 2017-2026 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur