Facebook Twitter

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Dus u dacht dat brouwerij(ver)huur iets nieuws was?

1 september 2018 - Marco Daane.

In het vorige blog op deze website sneed Rick Kempen een actuele en controversiële kwestie aan: die van de huurbrouwers. Sommige kleine brouwers vinden hen maar niks, en woorden als profiteren en nepbrouwers vallen. Andere betrokkenen, en waarschijnlijk ook veel consumenten, kan het weinig schelen waar en door wie een bier wordt gebrouwen. En weer anderen proberen de finesses van dit verschijnsel te doorzien.

Het fenomeen huurbrouwer – iemand die kortstondig in de brouwinstallatie van een ander brouwt of laat brouwen – is zonder meer iets van deze tijd. Maar brouwers zonder eigen brouwerij zijn er al eeuwen. ‘Huurbrouwen’ is een soort spiegel van onze biergeschiedenis. Enkele bekende brouwers hebben ook de brouwerij van een ander gehuurd. Zéér bekende zelfs...

Brouwhuur
In de 14e en 15e eeuw werd het graafschap Holland een Europese biernatie van formaat. De steden Delft, Gouda en Haarlem brouwden en exporteerden massaal de biersoorten hoppen of hopbier en kuit. Ze bezaten een omvangrijke industrie met brouwerijen en toeleveranciers.
(Ver)huur was een normaal bestanddeel van deze brouweconomie. In Gouda pikten ook ‘gewone’ burgers er letterlijk een graantje van mee, door hun zolders aan brouwers te verhuren voor graanopslag. En vooral: sommige brouwerijeigenaren brouwden zelf niet, maar verhuurden hun bedrijf aan brouwers zonder eigen brouwerij.
Dit was ook in de 17e eeuw nog praktijk. Een bekende Hollander werd zo in 1654 brouwer te Delft: kunstschilder Jan Steen. Hij huurde er brouwerij De Roscam aan de Oude Delft. Althans, zijn vader Havick deed dat voor hem, omdat die zijn zoon en diens gezin een grotere bestaanszekerheid wilde bezorgen. Het werd geen succes: in 1657 gaf Jan Steen zijn brouwersbestaan alweer op. Naar verluidt was hij ongeschikt als zakenman, en dat in een tijd waarin het Delftse brouwwezen toch al op zijn retour was.
Beter verging het destijds een zekere Joost Jansz Oosthuysen, die van 1650 tot zijn dood in 1661 de Amsterdamse brouwerij de Hooiberg aan de Nieuwezijds Achterburgwal huurde. Zijn huursom was zeer hoog, en Oosthuysen verbeterde ook nog eens voor ƒ 18.100 aan het bedrijf. Investeringen en durfkapitaal waren zeer belangrijk in de 17e-eeuwse Amsterdamse groei-economie. Oosthuysen streefde blijkbaar ook naar kwaliteit. Dat was weer goed voor zijn relatie met de verhuurder. Verhuurders hadden graag serieuze, kundige huurders in hun brouwerij.
Hun relaties konden ook meer dan alleen financieel zijn. In 1702 werd een brouwerij aan de Oudegracht ‘omtrent de Smebrugh’ te Utrecht verhuurd, met in het huurcontract de bepaling: ‘huurder dient verhuurder het brouwen van Luiks en Dordt-Engels bier te leren’. Mogelijk dacht de verhuurder zijn brouwerij ooit alsnog zelf te gaan uitbaten. Zo kwam hij aan scholing en ervaring.

De Hooiberg
Brouwerij De Hooiberg

Expansiehuur
De Hooiberg is ook na Oosthuysen nog huurobject geweest, om vervolgens in de 18e eeuw uit te groeien tot de belangrijkste brouwerij van Amsterdam. In de 19e eeuw werd hij gekocht door Gerard Heineken. Aan die illustere biernaam kleeft dan weer een van de meest curieuze huurgeschiedenissen uit het Nederlandse brouwverleden.
Gerard Heineken begon in 1864 in de Hooiberg te brouwen, maar liet al na een paar jaar een geheel nieuwe brouwerij neerzetten aan de Stadhouderskade. Deze eerste ‘echte’ Heinekenbrouwerij werd nog uitgebreid en schoot na 1870 samen met concurrent Amstel naar de top van de Nederlandse brouwwereld. Heineken en Amstel namen het ‘nieuwe’ ondergistende bier uit Beieren, Wenen en Bohemen serieus en dat bleek een juiste inschatting. The rest was history.
Beide bedrijven zochten ook al snel naar expansie over de grenzen. Export, natuurlijk; maar in België wilde Heineken ook graag zélf gaan brouwen. Het was dichtbij, en de markt voor Beiers bier uit België zelf was nog zo goed als maagdelijk. Heineken zag ook daar kennelijk brood in het nieuwe bier, want hij besloot een bestaande brouwerij te huren. Dat bespaarde natuurlijk veel tijd.
Er stond toen ook al een brouwerij voor Beiers bier in Brussel die hij vanaf 1878 zou huren: Bavaro-Belge. Dat was een dochteronderneming van de Koninklijke Nederlandsche Beiersch-Brouwerij. De Amsterdamse KNBB was in 1867 de allereerste Nederlandse ‘fabriek’ voor de productie van ondergistend bier geweest, nog vóór Heineken en Amstel. Het bedrijf was ook snel succesvol geworden en de investeerders wilden dat kunstje in België overdoen. In 1874 hadden ze Bavaro-Belge in Anderlecht geopend, waarschijnlijk de eerste van het land voor ondergistend bier. Om die vier jaar later dus alweer voor drie jaar te verhuren aan Heineken.
Raar maar waar: Heineken zette de stap naar België als huurder van een concurrerende brouwer uit Amsterdam. Tijdens de onderhandelingen liet Gerard Heineken overigens weten dat die huur ‘al ons disponibel kapitaal, ja eigenlijk zelfs meer dan dat in beslag zal nemen’. Bavaro-Belge was nog niet compleet geschikt voor ondergistend brouwen en Heineken moest er veel aan vertimmeren. Dat was een prijzige zaak, maar veel meer was er toen niet voorhanden in België.
U voelt hem misschien al aankomen: het werd een fiasco. Heineken had de Belgische dorst verkeerd ingeschat. Onze zuiderburen bleken veel minder warm te lopen voor het nieuwe bier dan ‘wij’. Heineken wist niet hoe snel hij weer van het huurcontract af moest komen. Daar slaagde hij in 1880 in, een jaar voor het eigenlijk zou aflopen.
Later zou Bavaro-Belge alsnog een van de tien grootste brouwerijen van België worden (al zou hij na vele ups en downs in 1938 eindigen als niet-brouwend depot van Haacht). Heinekens toenaderingspogingen in België bleven daarentegen moeizaam verlopen. De twee hebben elkaar nooit gelegen. Heineken exporteerde na 1880 uiteindelijk eigen bier naar België, maar dan als ‘Bock-Ale’ (!). De eigen naam werd wegens de opgedane impopulariteit zorgvuldig verzwegen. Het leidde tot bizarre situaties. Toen een bekende van Heinekens brouwmeester Feltmann in een Belgisch café een glas Heineken bestelde, kreeg hij te horen dat men hem dat niet mocht schenken. Het was alleen bestemd ‘voor meiden en knechten’. Wel kon hij een glas Bock-Ale krijgen...

Kanaal naar Charleroi met Bavaro Belge
Kanaal naar Charleroi met Bavaro-Belge

Revolutionaire huur
In alle hier beschreven gevallen werd een gehele brouwerij voor langere tijd ge- en verhuurd. Dat is iets heel anders dan de huidige huurbrouwconstructies. Toch zijn ook die niet helemaal nieuw. In Duiven bij Arnhem stond eind achttiende eeuw de brouwerij van Peter Heijdendael, die later De Star is gaan heten. Heijdendael verhuurde zijn bedrijf ook wel aan boeren uit Westervoort en Lathum of aan tappers uit Zevenaar om er zelf in te brouwen. Zij waren dus de voorlopers van de huidige brouwerijhuurders.
Maar onze hedendaagse biercultuur is ook nog op een andere manier met (ver)huur verbonden – door het prille begin ervan zelfs. In 1981 stond brouwerij De Vriendenkring in Arcen op het punt te worden gesloten door eigenaar Skol. Zes medewerkers ervan besloten toen hun droom daar te gaan najagen: een nieuwe Nederlandse brouwerij van bovengistende bieren in ‘Belgische’ stijlen. Die gingen ze, onder de bezielende leiding van Toon van den Reek, op dezelfde locatie brouwen. Voor hun Arcense Bierbrouwerij kochten ze een (tweedehands) brouwinstallatie, omdat de overgebleven apparatuur alleen geschikt was voor de productie van halffabricaten.
Maar de ‘brouwerij’ zelf, het bedrijfsgebouw, werd niet hun eigendom. Die huurden ze van Skol, dat meewerkte aan hun plan op voorwaarde dat ze geen pilsener zouden gaan brouwen. Hetgeen ze ook helemaal niet wilden.
Ze sloten een huurcontract voor 20 jaar, maar zouden die nooit volmaken. In 1992 werd de verhuur beëindigd: de VBBR, de ‘opvolger’ van Skol, kocht hun succesvolle Arcense Bierbrouwerij terug. In wat sindsdien Hertog Jan heet, ontsprong ooit de herleefde Nederlandse biercultuur in de vorm van een vernieuwend, gepassioneerd huurproject.

Arcense Bierbrouwerij
Arcense Bierbrouwerij

-- Adverteerders --

© 2017-2018 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur