Facebook Twitter

Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur

Een hete zomer

1 juli 2018 - Henri Reuchlin.

Het is inmiddels een halve eeuw geleden, maar de zomer van 1968 is in meerdere opzichten legendarisch. Het begon met de studentenrellen van Parijs die zich al snel over heel Europa verspreidden. Niet alleen op de studentencampussen was het een hete aanloop naar de zomer. Ook in de bestuurskamers van de Nederlandse brouwers heerste hoogspanning. Al sinds het begin van de jaren zestig had marktleider Heineken toenaderingspogingen gedaan naar verschillende Nederlandse concurrenten voor een overname. Met de directie van Amstel, Drie Hoefijzers, Oranjeboom en Grolsch werd gesproken, en soms meer dan eens. De gesprekken hadden geen resultaat. Telkens bleek er een beer op de weg: over de prijs werd men het niet eens, of er waren voorwaarden van beide kanten die niet verenigbaar waren. Maar toch, er hing een sfeer van consolidatie in de lucht. Oranjeboom uit Rotterdam was in het begin van het decennium al een samenwerking aangegaan met de brouwerijen Barbarossa uit Groningen, Phoenix uit Amersfoort en ZHB uit Den Haag. Het kwam neer op een overname door de Rotterdammers, die daarmee uitgroeiden tot de derde brouwer van het land, na Heineken en Amstel.

De directies van de overgebleven Nederlandse brouwerijen begonnen pas echt zenuwachtig te worden toen het Britse Allied breweries eind 1967 Oranjeboom overnam en zo als buitenlandse speler de Nederlandse markt betrad. Plotseling was er een machtige en onvoorspelbare concurrent toegetreden. Een concurrent die bovendien het plan had opgevat om een wereldwijd biermerk te introduceren. Skol moest voor bierdrinkers zo bekend worden als Coca Cola dat is voor frisdrinkers. In de zomer van 1968 kwam er een tweede buitenlandse indringer, toen het Belgische Stella Artois de Dommelsche brouwerij overnam. De bestuurders van de brouwerijen schuifelden onrustig in hun stoel. In Amsterdam, waar marktleider Heineken en nummer twee Amstel hun hoofdkantoor hadden, gingen alle alarmbellen af toen Allied Breweries in augustus 1968 een geslaagd bod deed op de aandelen Drie Hoefijzers, en daarmee tot tweede brouwerij van Nederland uitgroeide. Een brouwerij met honger bovendien, want ook een overname van Amstel zagen de Britten wel zitten.

In Amsterdam werd dat anders beleefd. In één week tijd werd een fusie beklonken, die de directies van Amstel en Heineken jarenlang voor onmogelijk hadden gehouden. Heineken lijfde Amstel in en groeide uit tot de onbedreigde marktleider van ons land. Men besefte dat brouwen uitgegroeid was tot een bezigheid die vraagt om wereldwijde aanwezigheid. Zowel Allied als Heineken dingen naar de hand van Unilever, dat nadenkt over de mogelijkheid zelf met brouwen te beginnen. Een plan dat Unilever later laat varen.

De hete zomer van 1968 verandert het bierlandschap in Nederland onherkenbaar. Het zal vele tientallen jaren duren totdat het tij zich keert en nieuwe Nederlandse brouwerijen langzaam de markt betreden. De alleenheerschappij van pils is na veertig jaar gebroken. Brouwen mag weer heel lokaal zijn. Eindelijk is er weer keuze in biertypen en merken. Opvallend is dat de merken van de ‘verdwenen’ bierbedrijven ook weer terug zijn. Café De Beyerd in Breda heeft zich ontfermt over Drie Hoefijzers, Rock City in Amersfoort brouwt soms een Phoenix, Oranjeboom is met Princessebier op een bijzondere manier terug in het land en onlangs blies het Rijswijkse Arn ZHB nieuw leven in. Eenvormig zoals na 1968 zal het gelukkig niet snel meer worden.

 ZHB

Bierbrouwerij De Arn brouwt ZHB-bieren

-- Adverteerders --

© 2017-2018 Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur